Europese wet-en regelgeving

A. Verordeningen, richtlijnen

a) Verordening bouwproducten

Deze verordening is gericht op het verbeteren van de werking van de interne markt en het bevorderen van het vrije verkeer van bouwproducten in de EU door te voorzien in een gemeenschappelijke technische taal om de prestaties van bouwproducten te beoordelen en door uniforme regels vast te stellen voor het verhandelen van deze producten.
De gemeenschappelijke technische taal is vervat in fundamentele functionele eisen voor bouwwerken en van daar uit in essentiële kenmerken van bouwproducten die door de fabrikant in prestatieverklaringen worden gepubliceerd. De EU-landen blijven verantwoordelijk voor de voorschriften die van toepassing zijn op de bouwkundige en civieltechnische werken.

De fundamentele eisen voor bouwwerken en essentiële kenmerken van bouwproducten vormen de basis voor het opstellen van bepalingsmethoden en geharmoniseerde technische specificaties.
Onder bouwwerken worden bouwkundige en civieltechnische werken verstaan. Een bouwproduct is elk product of kit dat wordt vervaardigd en in de handel wordt gebracht om blijvend te worden verwerkt in bouwwerken of delen ervan en waarvan de prestaties gevolgen hebben voor de prestaties van het bouwwerk met betrekking tot de fundamentele eisen voor bouwwerken. Gelezen deze tekst mag worden verwacht dat de scope gelijk is aan de bepalingsmethode milieuprestatie bouwwerken: methodische eisen bepaling milieuprestatie (bouw)producten, installaties en processen.

De fundamentele functionele eisen voor bouwwerken (Basic Work Requirements – BWR) betreffen:

  1. Mechanische weerstand en stabiliteit
  2. Brandveiligheid
  3. Hygiëne, gezondheid en milieu
    Het bouwwerk moet zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat het gedurende de hele levenscyclus geen risico vormt voor de hygiëne, gezondheid en veiligheid van arbeiders, bewoners en omwonenden, en dat het tijdens zijn volledige levensduur geen buitengewoon grote invloed uitoefent op de milieukwaliteit of op het klimaat, noch tijdens de bouw, het gebruik of de sloop ervan, in het bijzonder als gevolg van:
    a) het vrijkomen van toxische gassen
    b) de emissie van gevaarlijke stoffen, vluchtige organische verbindingen, broeikasgassen of gevaarlijke deeltjes in de binnen- of buitenlucht
    c) de emissie van gevaarlijke straling
    d) het vrijkomen van gevaarlijke stoffen in grondwater, zeewater, oppervlaktewater of in de bodem
    e) het vrijkomen van gevaarlijke stoffen in het drinkwater of die het drinkwater op enige wijze nadelig beïnvloeden
    f) gebrekkige afvoer van afvalwater, emissie van rookgassen of onjuiste verwijdering van vaste of vloeibare afvalstoffen
    g) vochtophoping in delen of op binnenoppervlakken van het bouwwerk. 4.4.2011 Publicatieblad van de Europese Unie L 88/33 NL
  4. Veiligheid en toegankelijkheid bij gebruik
  5. Bescherming tegen geluidshinder
  6. Energiebesparing en warmtebehoud
  7. Duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
    Het bouwwerk moet zodanig worden ontworpen, uitgevoerd en gesloopt dat duurzaam gebruik wordt gemaakt van natuurlijke hulpbronnen en met name het volgende wordt gewaarborgd: 
    a) het hergebruik of de recycleerbaarheid van het bouwwerk en de materialen en delen ervan na de sloop
    b) de duurzaamheid van het bouwwerk
    c) het gebruik van milieuvriendelijke grondstoffen en secundaire materialen in het bouwwerk.

b) Richtlijn energiegerelateerde producten (Ecodesign)

De Richtlijn Ecodesign is een kaderrichtlijn waarmee eisen gesteld kunnen worden aan energiegerelateerde producten met een belangrijk verbeterpotentieel. In Nederland is de richtlijn in oktober 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer, de Wet energiebesparing toestellen en de Wet economische delicten.
De richtlijn schept een kader voor de vaststelling van nader te bepalen eisen – een zgn. ecologisch profiel – en uitvoeringsmaatregelen. Een ecologisch profiel is een beschrijving van de over de gehele levenscyclus aan een product verbonden inputs en outputs (zoals grondstoffen, emissies en afvalstoffen) die uit het oogpunt van hun milieueffect significant zijn

Het doel van de richtlijn is bij te dragen aan duurzame ontwikkeling door energie-efficiëntie en het niveau van milieubescherming te vergroten. De werkingssfeer van de richtlijn is breder dan enkel installaties. Onder energiegerelateerde producten wordt verstaan: elk op de markt geïntroduceerd en/of in gebruik genomen goed dat tijdens het gebruik een effect heeft op het energieverbruik, met inbegrip van onderdelen die bedoeld zijn om in onder deze richtlijn vallende energiegerelateerde producten te worden ingebouwd en die ten behoeve van eindgebruikers op de markt worden geïntroduceerd en/of in gebruik worden genomen als losse onderdelen waarvan de milieuprestaties onafhankelijk kunnen worden beoordeeld.

Onder deze titel zouden ook dubbelglas, isolatiemateriaal e.d. onder deze definitie vallen. Formeel zijn dat producten die onder de Verordening bouwproducten vallen, waarvoor binnen en BWR technische specificaties uit oogpunt van milieu. Een afstemmingsproblematiek dat vooralsnog niet door de Commissie is opgelost.

c) Single Market for Green Products Initiative (PEF – product environmental footprint)

Een bedrijf dat zijn product in verschillende Europese landen als milieuvriendelijk op de markt wil brengen, wordt geconfronteerd met een reeks aan methoden en initiatieven. Soms moeten ze voor hun product verschillende methoden gebruiken voor verschillende markten. Dit leidt tot kosten voor bedrijven en verwarring voor de consument.
De Europese commissie wil hierin eenheid brengen en heeft het project ‘Single Market for Green Products Initiative’ opgezet. 

Een belangrijk onderdeel van dit project is de PEF (Product Environmental Footprint). Het doel is om het voor bedrijven gemakkelijker te maken om milieuvriendelijke (groene) producten op de Europese markt te brengen en om het voor de consument gemakkelijker te maken de milieuvriendelijke kwaliteiten te identificeren. Hiervoor heeft het in samenspraak met het Joint Research Centre (JRC) als EU Science Hub, de PEF-methode ontworpen.

De PEF methode is ontworpen als een gestandaardiseerde manier om de milieuprestaties van een product te meten.

De PEF is vooral bedoeld voor de informatie van business to consumer (B2C). Voor de communicatie van business to business (B2B) over de prestaties van bouwproducten geldt de Verordening bouwproducten.
Er is voor een ieder alles aan gelegen om de bepaling van de ecologische footprint af te stemmen op de bestaande bepalingsmethoden voor bouwwerken en bouwproducten binnen CEN (zie B1)

d) Richtlijn energieprestatie van gebouwen (Energy Performance Buildings Directive)

De richtlijn is een zgn. een kaderrichtlijn en schrijft voor dat de lidstaten systeemeisen moeten invoeren voor de energieprestatie van gebouwen, voor het adequaat installeren, dimensioneren, inregelen van technische bouwsystemen en voor de instelbaarheid ervan, die nieuw worden geïnstalleerd, vervangen of verbeterd in bestaande gebouwen. Onder technische bouwsystemen worden systemen verstaan voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater, ingebouwde verlichting, lokale opwekking van elektriciteit en gebouwautomatisering- en controlesystemen. De richtlijn is met de zgn. BENG-voorschriften geïmplementeerd in het Bouwbesluit.

De Richtlijn stelt een aantal voorwaarden aan de energieprestatiebepalingsmethode voor gebouwen, onder andere dat de methode transparant moet zijn en open moet staan voor innovatie en dat de energieprestatie van gebouwen moet worden uitgedrukt in kWh/(m2 per jaar). Deze systematiek is verwerkt in NTA 8800, de opvolger van NEN 7120. Dit betekent dat ook op de energielabels voor gebouwen de energieprestatie uitgedrukt gaat worden in een numerieke indicator van het primaire energieverbruik in kWh/(m2 per jaar). Deze indicator zal bepaald worden met de NTA 8800. Het Besluit energieprestatie gebouwen wordt zodanig gewijzigd dat het energielabel deze numerieke indicator bevat en niet slechts een letter of lettercombinatie. Deze wijziging biedt ruimte om de nieuwe bepalingsmethode verder te verwerken in de regelgeving over de energielabels en samenhangende instrumenten. De uitwerking wordt opgenomen in andere, nader vorm te geven, wijzigingsregelgeving.
Het betreft:

  • systeemeisen voor technische bouwsystemen
  • het documenteren van de energieprestatie van technische bouwsystemen
  • zelfregulerende apparatuur voor het regelen van de temperatuur per kamer of zone
  • laadinfrastructuur voor elektrische auto’s
  • keuringen van verwarmings- en airconditioningssystemen
  • gebouwautomatisering- en -controlesystemen

Het doelbereik van deze richtlijn is in essentie het beperken van de energievraag – hoeveelheden kWh. Om de milieudruk daarbij te kunnen berekenen zijn (LCA) impactcategorieën nodig van de energiedragers die bij de hoeveelheden kWh worden aangewend.