WLC-GWP

De WLC-GWP geeft inzicht in het aardopwarmingsvermogen van een gebouw, beschouwt over een periode van 50 jaar over de gehele levenscyclus. 

Via deze pagina vind je meer informatie over de methodiek, de Europese regelgeving achter de methode, de toepassing binnen het Nederlandse stelsel en beschikbare documentatie.

WLC-GWP staat voor Whole Life Cycle Global Warming Potential. Deze nieuwe rekenmethodiek vloeit voort uit de verplichtingen in de EPBD IV-richtlijn. 

De WLC-GWP brengt zowel de materiaalgebonden broeikasgasemissies als de emissies uit het gebouwgebonden energiegebruik tijdens de gebruiksfase (inclusief eventuele teruglevering van energie) in beeld via deze integrale rekenmethode.

Regelgeving vanaf 2028

Vanaf 2028 moeten nieuwe gebouwen groter dan 1.000 m² inzicht geven in de bijdrage van de opwarming van de aarde via de verplichte berekening van de WLC-GWP. De uitkomst wordt onderdeel van het energielabel van gebouwen. Vanaf 2030 breidt deze rekenplicht uit naar alle nieuwe gebouwen en zullen er ook grenswaarden gelden. Bekijk de laatste informatie over de planning van dit traject op de website van BZK.

Hoe wordt de WLC-GWP berekend?

De Bepalingsmethode WLC-GWP, opgesteld door Stichting NMD, beschrijft de werkwijze voor de WLC-GWP-berekening. De inhoud van deze bepalingsmethode is nog in ontwikkeling. In het najaar van 2026 zal Stichting NMD een definitieve versie publiceren welke kan worden aangewezen door het Ministerie van BZK. De berekening dient te worden gemaakt met de door Stichting NMD gevalideerde rekeninstrumenten.

Wat is het verschil tussen MPG en WLC-GWP?

De milieuprestatieberekening (MPG) en WLC-GWP zijn niet hetzelfde:

  • De MPG kijkt naar alle 19 milieu-impactcategorieën van materialen in gebouwen, zonder het operationeel energiegebruik (Module B6) en de baten en lasten uit de geëxporteerde gebruiksmiddelen (Module D2).
  • WLC-GWP richt zich specifiek op de drie milieu-impactcategorieën van klimaatverandering (fossiel, biogeen en landgebruik & verandering in landgebruik) in combinatie met het operationele energieverbruik (B6), en de baten en lasten uit de geëxporteerde gebruiksmiddelen (Module D2).

Beide methodieken hebben een andere focus en kunnen elkaar aanvullen.

Het fundament voor duurzame bouw