NIEUWSOVERZICHT < DELEN >
X

Deel dit artikel!

Terugblik met Harry Nieman

Het begon officieel in 2010 met de ondertekening van de “Samenwerkingsovereenkomst over de inbreng van de bepalingsmethode materiaalgebonden milieuprestatie van gebouwen en GWW-werken, inclusief de daaraan verbonden milieudatabases” door enerzijds Stichting Bouwkwaliteit en anderzijds de eigenaren van de rekeninstrumenten Greencalc+, GPR-gebouw, Eco-quantum, Dubocalc en Eco-Instal.

Foto: Marjolein Ansink

Deze eigenaren vonden het tijd om hun data en methodieken ineen te schuiven en te gebruiken als input voor een algemene bepalingsmethode en een algemene database. Voor het beheer en onderhoud zochten de eigenaren van de rekeninstrumenten een onpartijdige en onafhankelijke partij. Ze kwamen uit bij Stichting Bouwkwaliteit. Met Harry Nieman, die per 1 januari van dit jaar zijn taak als directeur van de NMD heeft neergelegd, kijken we terug op een bewogen decennium. Volgens Harry is er zeer veel veranderd, maar de basis is nog hetzelfde: een onafhankelijke en onpartijdige milieu-beoordeling van bouwproducten.

Hoe is de NMD begonnen? Wat waren de achterliggende gedachten en omstandigheden?

“Het werk wat we de afgelopen 10 jaar hebben gedaan is nog steeds gebaseerd op de opdracht van de founding fathers. Het idee daarbij is dat elk bouwmateriaal op een gelijke, onpartijdige manier en op een wetenschappelijk verantwoorde wijze, of preciezer gezegd op basis van een LCA, wordt beoordeeld. Dat was de basisgedachte en die is niet veranderd. Verder was het plan gebaseerd op de gedachte dat we een totale weging van de milieubelasting van een bouwwerk moesten kunnen maken en niet van een specifiek materiaal. In die tijd werd de milieukwaliteit van een bouwwerk beoordeeld aan de hand van lijsten, waarop stond welk product en welke maatregel wel milieuvriendelijk was en welke niet. Dat leverde zware discussies en slepende rechtszaken op over bijvoorbeeld lood en zink. Het ontwikkelen van een onafhankelijke bepalingsmethode en een nationale database boden daarvoor een uitweg.”

Wat zijn de grootste veranderingen en hoe kijk je erop terug?

“Sinds ik bij de NMD betrokken ben geraakt, zijn wij voortdurend bezig geweest met grote veranderingsprocessen. Ik stapte op een rijdende trein die druk bezig was met de herstructurering van de database. Dat was een omvangrijke operatie. De uitkomst van de MPG- en de MKI-berekening was één getal. Module A tot en met D werden op 1 hoop gegooid. Nu, na de herstructurering, kunnen we milieubelasting per levensfase onderscheiden. Daardoor weten we tegenwoordig hoe de milieubelasting van een specifiek product is opgebouwd en aan welke knoppen we moeten draaien om de milieubelasting effectief te verminderen. Het biedt handvatten om de milieubelasting van een bouwproduct te optimaliseren. Ik beschouw dat als een mooie prestatie, vooral omdat wij in de eerste jaren van de NMD met een kleine organisatie en zeer beperkt budget moesten werken. Op dit moment zijn we ook weer met een omvangrijke operatie bezig. Het aantal milieueffecten wordt uitgebreid van 11 naar 19. Dat is conform de EN-15804;A2, maar naar de fabrikanten en leveranciers van bouwproducten die de NMD moeten vullen met productkaarten, is het wel een lastige boodschap.”

Zal het dan wel lukken om de NMD voldoende te vullen met categorie 1 –kaarten?

“Ik heb nooit ontkend dat dit een zorg is. Toen we begonnen, zaten er zo’n tweeduizend kaarten in de NMD. Nu is de NMD gevuld met circa drieduizend kaarten en dat is nog steeds onvoldoende. Toch ben ik niet bang dat het niet gaat lukken. Ik verwacht dat de NMD met een groot aantal categorie 1-kaarten wordt uitgebreid als de MPG-eis in de bouwregelgeving wordt aangescherpt en als de Wet Kwaliteitsborging in werking is getreden. De tendens dat opdrachtgevers in hun aanbestedingsprocedures duurzaamheidseisen en gunningscriteria opnemen, zal ook een positief effect hebben op het aantal productkaarten in de NMD. In Europa gaan stemmen op om de EN15804 te harmoniseren en fabrikanten te verplichten een EPD te ontwikkelen. Dat zijn ontwikkelingen die we toejuichen en stimuleren, maar we hebben er geen directe zeggenschap over. De NMD is o.a. in gesprek met de bouwmaterialenindustrie om toetsingsprotocollen van de MRPI-EPD’s en de NMD op elkaar af te stemmen en gelijk te maken. Voor de fabrikanten die al een MRPI-EPD hebben, is het dan aantrekkelijk om hun EPD ook aan de NMD aan te bieden. Dat zal zeker helpen om de NMD te vullen met categorie 1-kaarten.”

Is er nog sprake van een Nederlandse database en Nederlandse Bepalingsmethode?

“Er is nog steeds sprake van een Nederlandse aanpak, maar de basis ligt in Europa. We werken vanuit Europese kaders, richtlijnen en nomen. De aanpak van de founding fathers zorgde ervoor dat Nederland, in vergelijking met andere landen, tot de koplopers op het gebied van duurzaam bouwen werd gerekend. Zo hielden wij in de analyse van de levenscyclus al rekening met de mogelijkheid van hergebruik in module D, terwijl andere landen zich beperkten tot de module A, B en C. In dit opzicht is er veel veranderd. De rest van de wereld is in beweging gekomen en de Europese normen op het gebied van LCA en milieuprestatie hebben een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Het is logisch om daarbij aan te sluiten. Onze nationale bepalingsmethode is tegenwoordig bijna gelijk aan de Europese norm EN-15804. De Nederlandse bouw is erbij gebaat als de milieudata van bouwproducten in internationaal verband uitwisselbaar zijn. Maar dat betekent wel dat we de spelregels niet zo maar kunnen veranderen. Dat zie je nu duidelijk in de discussie over de CO2-opslag in hout. De NMD is bezig met het opzetten van een onderzoek over dit onderwerp. Hierbij wil ik wel de kanttekening plaatsen dat een wijziging in de verrekening van CO2-opslag alleen binnen de kaders van de Europese norm kan worden uitgevoerd.”

Hoe gaat het verder met de NMD?

“Je ziet dat het hele denken over duurzaamheid en milieu is opgeschoven. We zijn nog druk bezig met de energietransitie, maar het wordt steeds belangrijker om over circulariteit na te denken en ermee aan de slag te gaan. Dat is eigenlijk een belangrijke voorwaarde om de circulaire bouweconomie te realiseren. Ik durf te stellen dat de discussies over de NMD een gevolg zijn van die verschuiving. De discussie over de NMD toont aan dat circulariteit belangrijk is geworden. Op zich is dat een goede ontwikkeling. Alleen moeten we dat wel doen vanuit de Europese kaders en vanuit een weloverwogen idee over de borging van onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Bovendien moeten we bij de discussies over de invulling van het stelsel voor ogen houden dat we niet zomaar wat roepen en een mening ventileren. Het stelsel kan alleen maar op een hoger niveau worden gebracht door discussies met gedegen en wetenschappelijk onderzoek als onderlegger. Dat kost tijd en geld, maar het is wel de beste manier. De NMD is nu bezig met het opstarten van een onderzoek waarin de productgroepen asfalt, beton, staal en hout onderling vergeleken worden. Ook laten we de berekeningen door verschillende bureaus uitvoeren. Die onderzoeken zullen ons inzicht geven of er daadwerkelijk sprake is van bevoordeling van het ene product boven het andere. Op basis daarvan kunnen we het gesprek met alle stakeholders aangaan en zo nodig het systeem aanpassen.”

Blijf je nog betrokken bij de NMD?

“Voorlopig nog wel. Ik zal het nieuwe adviesorgaan van de NMD, de Beleidscommissie Milieuprestatie Nederland, leiden als interim-voorzitter. Maar het werk als directeur laat ik nu over aan Jan Willem Groot. Ik wens hem en het nieuwe bestuur veel succes en wijsheid toe en natuurlijk een goed gevulde NMD.”

Lees ook:

> Interview met het nieuwe bestuur en de nieuwe directeur